Er werd lang aangenomen dat dinosaurussen niet in koude klimaten konden overleven. Het waren immers koudbloedige reptielen en ook tegenwoordig leven er alleen warmbloedige dieren in de Poolstreken. Het was gewoon niet mogelijk, en het feit dat fossielen in deze streken zo moeilijk bereikbaar zijn door de winterse omstandigheden en de ijskappen op de Noord en Zuidpool droegen eraan bij dat hier lang niet gezocht werd. Pas in de jaren tachtig van de alweer vorige eeuw (1980-1989 dus) werd hier onderzoek naar gedaan. En er werden ook fossielen gevonden. In 1986 werd door een Argentijns team een kleine Ankylosauriër gevonden op Ross island, en in 1989 door een Brits team een 4-5 meter lange Hypsilophodont. Beide vondsten dateren uit het late Krijt. Amerikanen vonden een 6 meter lang theropode dinosaurus, waarschijnlijk Dilophosaurus en die werd in lagen van zo'n 200 miljoen jaar oud gevonden. Pas een dinosaurus uit deze streek is beschreven, Cryolophosaurus.

© J. Arts
Cryolophosaurus in winterse omstandigheden
Maar als je naar de titel van dit artikel hebt gekeken zul je denken; Australische pooldino's?
Dit is nou niet bepaald het land waaraan je denkt als je het over polaire omstandigheden hebt. Bij pooldinosauriërs denk je aan Alaska, Groenland en natuurlijk de Noord- en Zuidpool. Maar ongeveer 120 miljoen jaar geleden lag Australië niet op de plaats waar het nu ligt. 120 miljoen jaar geleden lag Australië wel degelijk binnen de poolcirkel en zat zelfs vast aan Antarctica! (zie ook: Plaattektoniek). Het is wel zo dat de globale temperatuur toen hoger was dan tegenwoordig, zo waren er in de Krijtperiode nog geen ijskappen op de polen. Maar dat het er ontzettend koud kon zijn daar kun je in het verdere verhaal bewijzen voor vinden.
Dit artikel gaat ook over Dinosaur Cove, dit is de plaats waar de paleontologen Thomas H Rich en Patricia Vickers Rich jarenlang onderzoek hebben gedaan en belangrijke vondsten hebben gedaan. Niet dat hier veel complete skeletten e.d. naar boven zijn gehaald maar (jammer genoeg) veel fragmentarisch materiaal. Toch waren deze vondsten zeer belangrijk en hebben de zienswijze over dinosaurussen zeker beïnvloed. En dan te bedenken dat deze twee paleontologen eigenlijk op zoek gingen naar mesozoïsche zoogdieren.
Er waren al dinosaurussen uit Australië bekend, de oudste vondst dateert uit 1906 en het betrof een teenklauw van Megalosaurus die bij Eagle's Nest was gevonden door Ferguson. In die tijd werden alle grote onbekende dinosaurussen bij Megalosaurus gedumpt. 75 jaar later volgden drie onderzoekers waaronder een geoloog de kaart van Ferguson om meer dinosaurussen te vinden, John Long, Tim Flannery en de geoloog Rob Glenie. Dit gebied was al vaker door paleontologen bezocht (waaronder T. Rich) maar ze keken wat rond, vonden niks en trokken verder. Maar toen deze drie onderzoekers hier aankwamen vonden ze vrijwel direct een botfragment. 'Het eerste fossiel is het moeilijkste te vinden' volgens T. Rich omdat deze bewijst dat er fossielen zijn en de paleontoloog ervan overtuigt dat er misschien meer te vinden is. Na 6 maanden hadden ze zo'n 30 specimen gevonden waaronder de femur (dijbeen) van een Ornithischian dinosaurus. 2 specimen waren niet meteen duidelijk maar Ralph Molmar van 'the Queensland Museum' identificeerde het als de astragalus van een op Allosaurus lijkende dinosaurus. Dit was een complete verrassing want de steenlagen waaruit deze resten kwamen waren 20-25 miljoen jaar jonger dan de steenlagen waarin deze dinosaurus gewoonlijk wordt gevonden. De astragalus werd toegekend aan Allosaurus en bleef meer dan 10 jaar lang aan deze dinosaurus toegeschreven. Daniel Chure heeft in een nieuw onderzoek zijn twijfels hierover geuit en classificeerde hem als behorend bij de Allosauridae.
Het tweede specimen werd geclassificeerd als een Labyrinthodont, een amfibie met een levenswijze veel lijkend op die van een krokodil. Het viel Thomas Rich op dat de steenlagen waarin zich deze fossielen bevonden zich uitstrekt tot de Otway range ten westen van Melbourne. En hoewel in dit gebied nog geen enkel fossiel was gevonden werd besloten dit gebied te gaan verkennen in 1979-1980. Er werd een maand lang gezocht zonder ook maar een fragment te vinden. Eindelijk werden toen in Marengo enkele fragmenten gevonden, niet veel maar genoeg om toch maar met zoeken door te gaan. Een fragment was een teenbotje van een carnivore dinosaurus. Op de laatste onderzoeksdag werden nog 4 mogelijke sites gevonden. Hier werden de eerste dinosaurustanden van Victoria gevonden, genoeg om het volgend jaar terug te keren.
15 december 1981 werd het gebied onderzocht dat nu Dinosaur Cove heet. Er werden 12 zeer fragmentarisch resten gevonden die niet verder geclassificeerd konden worden als: gewervelde dieren. Omdat de site een naam nodig had en er geen plaats in de buurt was en ook geen kenmerkende in het oog springende natuurlijke formaties werd de naam Dinosaur Cove gekozen. Op dit moment was er dus nog geen enkel dinosaurusbot gevonden!! Er werden nog 6 niet te identificeren fossielen gevonden en het werd duidelijk dat als men bij de rijkere fossielenlagen wilde komen men tunnels moest gaan graven.
In 1984 was er genoeg geld om een uitgraving te organiseren en werden enkele botfragmenten en een tand gevonden. De paleontologen kregen het idee dat er meer te vinden was ook al omdat de fossielen die werden gevonden geleidelijk groter werden. De zo gehoopte zoogdier en vogelfossielen bleven echter uit en dat zou zo voor de volgende 12 jaar blijven!
In 1985 werd de onderkaak van een Hypsilophodonte dinosaurus gevonden en in 1987 een klein schedeltje van 51 mm lengte. Aan de achterkant van de schedel was een afdruk van de hersenen te zien met 2 optische knobbels, het zenuwcentrum dat de ogen regelt. De kleine tanden lieten zien dat het geen vogel, Pterosaurus of theropode dinosaurus was. Er werd op de plaats waar dit schedeltje werd gevonden nog een stel gearticuleerde beenderen gevonden en hoewel niet met 100% zekerheid is te stellen dat het schedeltje en de postcrania bij elkaar horen is dit wel zeer waarschijnlijk. De femur is van een Hypsilophodonte dinosaurus, net zoals de tanden en het schedeltje. Omdat er vrijwel nooit beenderen van een en dezelfde soort bij elkaar worden gevonden, het zijn meestal geïsoleerde exemplaren in Dinosaur Cove, is het onwaarschijnlijk dat twee gedeeltelijke gearticuleerde skeletten zo dicht bij elkaar zouden worden gevonden. Ook werden er geen dubbele botten gevonden, dus bijvoorbeeld 2 linker dijbenen, om aan te geven dat er meerdere individuen begraven liggen.

In 1987 en 1988 werden de gevonden fossielen uit Dinosaur Cove bestudeerd en beschreven. Er werden twee nieuwe Hypsilophodonten beschreven, Leaellynasaura amicagraphica en Atlascopcosaurus loadsi, er werden 3 nieuwe genera hypsilophodonten herkend waaronder de al eerder beschreven Fulgotherium australe en de andere twee waren compleet genoeg om te stellen dat het andere genera waren dan de 3 hiervoor genoemde maar waren te incompleet om ze een eigen naam te geven. In 1991 werd het grootste fossiel tot dan gevonden, een 43 cm lang dijbeen van een theropode dinosaurus; Timimus hermani. Er werd nog een dijbeen gevonden van dezelfde species, maar dan 45% kleiner (19.35 cm), duidelijk een jonge Timimus. Het werd meteen ingedeeld bij de Ornithomimosauriërs, maar hier lopen de meningen tegenwoordig over uiteen. Alle ornithomimosaurussen komen uit het Late Krijt van Azië en Noord-Amerika. Dat zij nu ook (misschien) bekend zijn van het Vroege Krijt van Australië kan er op duiden dat zij ontstaan zijn op het zuidelijk continent en niet op het noordelijk continent waarvan zij zo bekend zijn. In 1999 werd Qantassaurus intrepidus beschreven, een hypsilophodont die bij Inverloch werd gevonden.
Hoewel Hypsilophodonten op alle continenten worden gevonden zijn ze meestal niet erg talrijk, misschien omdat ze vrij klein zijn. In Zuidoost Australië echter is meer dan de helft van de gevonden dinosaurussen hypsilophodont. Er zijn ten minste 3 genera in Zuidoost Australië, ter vergelijking: de zo fossielenrijke Morrisson formatie in de V.S. heeft er maar 2, terwijl zo'n 100 andere genera hier gevonden zijn.
De opmerkelijk goed geconserveerde endocast geeft een aanwijzing over de ongewone aanpassing van Leaellynasaura. De optische knobbels in de hersenen zijn beter ontwikkelt dan van Hypsilophodonten die in warmere streken worden gevonden. Een aanpassing aan de 3 of 4 maanden durende tijd waarin de zon in de poolcirkel niet boven de horizon komt.

© J.arts
Potloodtekening van de schedel van Leaellynasaura, de pijl wijst naar de vergrote optische hersenknobbel. Samen met de grote ogen een aanwijzing dat deze dinosaurus waarschijnlijk goed in het donker kon zien tijdens de poolnachten wanneer de zon voor een paar maanden niet boven de horizon komt. Dit is een bovenaanzicht van de schedel, de snuit is boven.
Atlascopcosaurus loadsi dankt zijn naam aan de Atlas Copco organisatie, een mijnbouw bedrijf dat de graafmachines beschikbaar stelde zonder welke geen fossielen zouden zijn gevonden.
Leaellynasaura amicagraphica is iets complexer. Leaellynasaura komt van de dochter van T. Rich en P. Vickers Rich die Leaellyn heet. Amica betekent vriend en verwijst naar een groep sponsoren die 'vrienden van het Museum of Victoria' wordt genoemd en graphica verwijst naar de National Geographic Society die het werk van Rich al die tijd gesteund hebben.
Australië en Antarctica waren met elkaar verbonden, Antarctica lag ongeveer op de plaats waar het nu ligt maar Australië lag veel zuidelijker dan tegenwoordig. De Oceaan die tussen Antarctica en Australië ligt is pas in de laatste 100 miljoen jaar ontstaan. Toen de Australische dinosaurussen die bij Dinosaur Cove zijn gevonden nog leefden was de breuk pas net een feit en nog niet compleet. Toen was de snelheid waarmee Australië van Antarctica af bewoog veel langzamer dan tegenwoordig. Enkele mm per jaar tegen 100 mm per jaar tegenwoordig. De scheiding begon in de Zuidwestelijke hoek van Australië en liep oostwaarts. Grote rivieren stroomden westwaarts naar de zich oostwaarts uitbreidende zee die Victoria 10 miljoen jaar na de jongste dinosaurusvondsten bereikte. Smallere stroompjes stroomden in deze grote rivieren en in deze kleinere smalle riviertjes zijn de pooldinosaurussen van Victoria gevonden. Het feit dat de gevonden beenderen uit deze kleine riviertjes stammen heeft een groot effect op wat er is gevonden. Van grotere dinosaurussen is alleen wat fragmentarisch materiaal gevonden of de allerkleinste beenderen die nog als zodanig geïdentificeerd kunnen worden. Dit komt omdat de kleine stroompjes niet genoeg kracht hadden om de grote beenderen te transporteren naar een plaats waar zij snel door sediment bedekt konden worden (een vereiste voor fossilisatie).
Het sediment bestond hoofdzakelijk uit vulkanisch materiaal. Van de vulkanen zelf is geen enkel spoor meer terug te vinden in Australië. De lagen met deze vulkanische gesteenten die de beenderen van de dinosaurussen bedekten zijn de laatste 20 miljoen jaar naar boven gedrukt en hebben het Otway en Strzelechi gebied gevormd. Deze lagen strekken zich ook uit naar West Australië maar hier zijn de lagen nog diep begraven en niet toegankelijk. Dit is bekend door boringen. In 1979 brachten boringen in Antarctica rotsfragmenten naar boven die op geen enkele wijze verschilden van de rotslagen gevonden in Oost Australië. Deze rotsfragmenten bevatten ook dezelfde fossiele stuifmeelkorrels als gevonden in Victoria.
In zacht sediment zitten altijd sporen van ijzer- en nikkeldeeltjes gebonden in mineralen. Omdat deze deeltjes blootstaan aan het aardmagnetisch veld richten zij zich ook hiernaar en gaan parallel met dat aardmagnetisch veld liggen zoals dat op dat moment is. Zolang het sediment zacht is zullen de deeltjes zich hiernaar blijven richten ook als het magnetisch veld verandert. Als het sediment zich echter verhard tot steen is er geen beweging meer mogelijk. Geofysici hebben methoden ontwikkeld om vast te stellen in welke richting deze metalen deeltjes zich ten opzichte van de Noord- en Zuidpool bevinden. Zo kan de vroegere positie van de Noord- en Zuidpool ten opzichte van de continenten worden bepaald. De magnetische polen verschillen met de geografisch polen waarom de aarde roteert. Tegenwoordig ligt de magnetisch pool zo'n 1340 km verwijderd van de rotatiepool. Iedere 3000 jaar cirkelt de magnetische pool om deze rotatiepool om na 3000 jaar weer ongeveer op hetzelfde punt uit te komen. Dus als van de positie van de magnetische pool een gemiddelde wordt genomen kan een redelijk betrouwbare positie van de rotatie as worden verkregen. Om de positie van de vroegere continenten te kunnen bepalen wordt de relatieve positie van de rotatiepolen ten opzichte van de continenten genomen. Als de continenten bewegen dan veranderd de relatieve positie ten opzichte van deze polen. Omdat de continenten met verschillende snelheden en in verschillende richtingen bewegen ten opzichte van deze polen kan de positie over een langere tijd geplot worden. Gebaseerd op honderden geomagnetische berekeningen blijkt dat Zuid Australië binnen de poolcirkel heeft gelegen toen de fossiele dinosaurussen nog leefden.
Hoe weten we wat de gemiddelde jaartemperatuur voor Australië moet zijn geweest in Oost Australië 106-120 mjg? Een eerste onderzoek werd verricht door Bob Gregory, een geochemicus. Hiervoor gebruikte Bob 2 zuurstofisotopen, (O 16) en (O 18) die beide hetzelfde aantal protonen in de kern hebben (8). Verder zijn ze chemisch hetzelfde maar omdat (O 18) 2 neutronen meer heeft, is zijn massa iets groter waardoor hij iets trager reageert. Wanneer de temperatuur van verschillende chemische en fysische reacties stijgt door externe invloeden worden deze verschillen in snelheid van reactie vergroot. Het is door deze aan temperatuur gerelateerde verschillen dat een methode kon worden ontwikkeld om de jaarlijkse gemiddelde temperatuur te schatten. De waarde die Bol kreeg was een verrassing, -2º C! (ter vergelijking: Fairbanks Alaska -3º C). Dit leek dus een schatting die een te lage temperatuur aangaf, ook al omdat er in die tijd een dichte begroeiing is geweest en het aantal gewervelde dieren die daar leefden.
Twee andere onderzoekers namen een geheel andere benadering. Paleobotanicus Robert Spicer en paleoklimatoloog Judith Tolman Parrish van de universiteit van Arizona zijn vooral bekend vanwege hun onderzoek naar de klimatologische omstandigheden van Alaska tijdens de late Krijtperiode. Dit was in de 35 miljoen jaar dat de Australische dinosaurussen leefden en het uitsterven van deze groep als geheel. Zij bezochten de sites waar plantenfossielen te vinden waren en verzamelden daar materiaal. Na analyse van de vorm en structuur van fossiele bladeren kwamen Parrish en Spicer tot de conclusie dat de gemiddelde jaarlijkse temperatuur ongeveer 10º C moet zijn geweest. De reden van dit verschil is niet helemaal duidelijk maar het is interessant dat beide analyses voor Alaska wel hetzelfde resultaat laten zien. (Alaska nu heeft een gem. jaartemperatuur van -3ºC, maar in de Krijtperiode was het 10ºC). Het verschil voor Australië kan hem zitten in het feit dat in Alaska in het late Krijt veel angiospermen of bloeiende planten voorkamen die geheel afwezig zijn in het vroege Krijt van Victoria en die volgens de gevestigde methoden worden toegepast bij het onderzoek terwijl de beide botanici voor Victoria nieuwe technieken moesten toepassen bij gebrek aan angiospermen.
Een ander bewijs dat het in die tijd toch wel heel koud moet zijn geweest is van geologisch oorsprong. In sommige lagen van het afgezette sediment waren vreemde structuren te zien. In het zandsteen onder een dikke kleisteenlaag vlakbij Flat Rocks locale was de kleisteenlaag in de onderliggende zandsteenlaag gedruppeld. Hoe kon de bovenliggende kleisteenlaag hierin terecht zijn gekomen? Een van de principes van de geologie is dat jongere lagen boven op oudere lagen liggen. En toch waren hier de jongere lagen in de oudere lagen terechtgekomen. In moderne lagen is de ondergrond een mix van bevroren zand en water waarvan het gewicht voor meer dan 50% uit water bestaat. Het wordt vooral in ondiepe geulen afgezet. Boven op deze laag vormt zich een laag die vergelijkbaar is met de kleisteenlaag uit het Krijt. In regio's waar de jaarlijkse gemiddelde temperatuur tussen -2ºC en -3ºC ligt smelt de onderlaag gedurende de zomer tot een diepte van zo'n 10 a 20 cm. Omdat de kleilaag veel minder water bevat is de dichtheid van de bovenlaag groter dan de dichtheid van de onderlaag. Hierdoor zinkt de bovenlaag langzaam in de onderlaag tot de permanent bevroren bodem bereikt wordt en niet meer verder kan. Als zo'n laag tot steen veranderd heb je precies dezelfde fossiele lagen als in Flat Rocks worden gevonden. De temperatuur van -2ºC tot -3ºC komt precies overeen met de waarden uit het zuurstofisotoop onderzoek.

© J. Arts

© J. Arts
Anusaya Chinsamy bestudeert de microstructuur van fossiele beenderen en onderzocht de beenderen van de pooldino's van Zuidoost Australië. Om dit te kunnen onderzoeken heeft ze kleine dwarsdoorsneden van de beenderen nodig. Omdat er zo weinig materiaal voorhanden is was het dan ook moeilijk stukken te vinden die hiervoor konden worden afgestaan. Na lang wikken en wegen werd een stukje van Timimus hermani en van een hypsilophodonte dinosaurus afgestaan, beide afkomstig uit Dinosaur Cove. Het bleek dat het botfragment van Timimus 'lines of arrested growth' vertoonden, zogenaamde LAG's, de beenderen van de hypsilophodont niet. LAG's zijn donkere randen in de beenderstructuur die aangeeft dat in die periode geen nieuw botweefsel werd aangemaakt. Dit kan gebeuren als een dier zijn metabolische waarden drastisch verlaagt. Deze verlaging kan als oorzaak hebben:

© J. Arts, based on original artwork of Peter Trusler
Timimus, alleen bekend van een gevonden dijbeen. Jarenlang geclassificeerd als lid van de familie Ornithomimosauridae en volgens zijn ontdekker Rich hoort hij daar nog steeds thuis. Velen classificeren hem tegenwoordig in de Coelurosauria (incertae sedis). Microscopisch onderzoek van dwarsdoorsneden van het bot van Timimus laten 'Lines of Arrested Growth' zien, een aanwijzing dat Timimus mogelijk een winterslaap hield.
Hoe weten we hoe oud een fossiel is? Tot 1896 was daar moeilijk een antwoord op te geven. Fossielen werden relatief tot elkaar gedateerd. Fossielen die dieper in de aardlagen liggen zijn ouder dan die in hogere aardlagen liggen. Hierop zijn de tijdschalen dan ook gebaseerd zoals Jura en Krijt. Hoewel deze lagen op zich geen tijd aanduiden geven ze wel een chronologische volgorde weer.
In 1896 werd door Henri Bacherel radioactiviteit ontdekt en dit veranderde de ouderdomsbepaling enorm. Wat voor een klimaat, temperatuur of druk een radioactief isotoop ook blootstaat zijn halveringstijd is altijd hetzelfde. Hierdoor kan de tijd waarin een radioactief isotoop in een steen werd gevormd worden berekend op dezelfde manier als een zandloper. De niet vervallen isotopen corresponderen met de zandkorrels boven in de zandloper en de nevenproducten van vervallen isotopen met de zandkorrels onder in de zandloper. De verhouding tussen die twee is de ouderdom van de steen. Er zijn verschillende radioactieve isotopen gebruikt voor ouderdomsbepaling, de best bekende is carbon 14 (koolstof 14). De helft van (C 14) vervalt tot (N 14) in 5730 jaar, dit is de halfwaardetijd. (C 14) is te gebruiken tot een ouderdom van zo'n 30 000 jaar en met de meest recente methoden tot 70 000 jaar. Nog veel te kort voor de lagen te meten waarin dinosaurusfossielen worden gevonden. Hiervoor zijn isotopen nodig die een veel grotere halfwaardetijd hebben zoals uranium en potassium die een halfwaardetijd hebben van miljoenen jaren.
Simpel gezegd: als isotoop A een halfwaardetijd heeft van 100 jaar, en het totaal aantal deeltjes wordt voorgesteld door T, dan is na 100 jaar ½T over. Na 200 jaar is nog ¼T over en zo verder.
Rotsen en fossielen worden tegenwoordig gedateerd met fossiel en isotoop analyses. De grootste nauwkeurigheid geeft de analyse van stuifmeelkorrels en sporen die bij de te dateren fossielen worden gevonden. Dit stuifmeel en de sporen worden vergeleken met stuifmeel, sporen en fossiel planktonmateriaal die op andere plaatsen worden gevonden en die radiometrisch gedateerd kunnen worden. Dus een ketting van relaties en correlaties geven ons de mogelijkheid de fossielen te dateren in jaren. Natuurlijk geven de fossielen ook nog steeds een ouderdomsbepaling op grond van de oeroude methode van hoger of lager gelegen dan andere fossiele beenderen uit de opgraving. Maar omdat de tussenliggende tijdspanne teruggebracht is van bijvoorbeeld het Jura of Krijt tot jaren is ook deze methode verfijnd.
De methode gebruikt in Dinosaur Cove heet Fission track dating. Het is gebaseerd op het feit dat in kristal zoals bijvoorbeeld Zirkoon er altijd een bepaalde hoeveelheid sporen achterblijven. Het zirkoon uit het gesteente waar dinosaurussen zijn gevonden in Victoria werden gevormd toen vulkanisch materiaal afkoelde en versteende. Als het kristal afkoelt tot onder een bepaalde temperatuur (200ºC) laten uiteenvallende uraniumatomen een vluchtspoor achter in het kristal. Als een uraniumatoom uiteenvalt in twee kleinere atomen stoten de kernen van die twee atomen elkaar af en worden de tegenovergestelde richting opgeschoten, hierdoor botsen ze tegen de kristalatomen en laten zo een spoor achter. Hoe langer het is geleden sinds het kristal afkoelde hoe meer uranium is vervallen. Dus door het aantal vluchtsporen in een kristal te tellen kan men de ouderdom bepalen. De sporen zijn dan net als de zandkorrels onder in de zandloper. Om te berekenen hoeveel zand er boven in de zandloper zit moet men de hoeveelheid uranium berekenen. Hiervoor wordt het kristal verhit nadat het aantal vluchtsporen is geteld. Door te verhitten boven 200ºC worden alle sporen gewist. Het kristal zonder vluchtsporen wordt gebombardeerd met een bekend aantal neutronen waardoor het overgebleven uranium meteen begint uiteen te vallen en nieuwe sporen maakt. Zo wordt de hoeveelheid boven in de zandloper geschat. De ratio (verhouding) tussen die twee geeft de ouderdom. De zo verkregen resultaten zijn niet zo nauwkeurig als de data verkregen door stuifmeelonderzoek die andere radiometrische data hebben maar deze twee worden samen gebruikt om zodoende een betrouwbaarder beeld te krijgen. Dit om te voorkomen dat er een onverwachte natuurlijke omgeving is geweest die de stuifmeeldatering zou hebben kunnen beïnvloeden. De twee gebruikte methoden moeten ongeveer gelijk aan elkaar zijn.

Een Zirkoon kristal met vluchtsporen van uraniumatomen.
100 tot 120 miljoen jaar geleden lag Australië ver zuidelijk binnen de Poolcirkel en had een 1½ maand tot 4½ maand durende poolnacht. Dit hangt af van hoever binnen de Poolcirkel Australië heeft gelegen want hier lopen de meningen over uiteen. De scheur tussen Australië en Antarctica stamt uit de Jura toen de twee continenten zich langzaam van elkaar losmaakten. Dit was de start van de laatste grote breuk van het supercontinent Gondwana, dat 50 miljoen jaar eerder al was gaan breken. Eerder was het nog grotere supercontinent Pangea al opgebroken in Laurasia in het noorden en Gondwana in het zuiden. In het vroege Krijt was de verplaatsing van Australië weg van Antarctica nog langzaam, enkele mm per jaar tegen 100mm de laatste 45 miljoen jaar. Toen de 2 continenten zich van elkaar verwijderden zonk de bodem van de breuk, maar tegelijkertijd was er een aanvoer van vulkanisch materiaal van tegenwoordig niet meer te traceren vulkanen die waarschijnlijk te oosten van de breuk lagen. Dit materiaal vulde de zinkende vallei. De vele westwaarts stromende rivieren kwamen uit in een oostwaarts uitbreidende zee. De zee kwam uit het westen omdat de breuk tussen Australië en Antarctica met een schaarvormige beweging gebeurde met de spil vlakbij de zuidwestelijke punt van Australië. De zee bereikte het punt waar de dinosaurusfossielen werden gevonden zo'n 10 miljoen jaar nadat zij daar hadden geleefd. Er zijn geen afzettingen van vulkanisch materiaal dat op de grond viel en daar is blijven liggen. Alle as is door rivieren meegenomen, maar niet lang genoeg om weg te eroderen. Daardoor zijn mineralen die onstabiel zijn op het aardoppervlak een groot bestanddeel van deze gefossiliseerde lagen. Dit betekent dat de uitstoot van vulkanisch materiaal vlug gebeurde en bedekking van nu fossiel materiaal snel. De neerslag van dit sediment duurde 25 miljoen jaar. De sites met fossiele beenderen beslaan echter geen 25 miljoen jaar maar dateren van 105 tot 115 miljoen jaar geleden. Omdat de vele kleine stromingen waar de fossielen zijn gevonden te langzaam stroomden om de gestorven dieren weg te voeren en te verzamelen zijn de zeer schaarse fossielen die in deze rivierbeddingen zijn gevonden hier ook gestorven. Toen de beenderen hier fossiliseerden was het soms bitterkoud en de lagen laten sporen zien van een permanent bevroren ondergrond. Het is niet helemaal zeker of toen de dinosaurussen hier leefden er ook permafrost is geweest omdat deze lagen 3 meter onder de fossielenlagen liggen. Het kan zijn dat toen deze permafrostlaag werd gevormd de voorouders van de gevonden dinosaurussen naar iets warmere streken zijn getrokken en pas zuidoost Australië weer binnentrokken toen de klimatologische omstandigheden weer verbeterden. De flora tijdens het leven van de dinosauriërs was groen, bloeiende planten waren zeldzaam of geheel afwezig. Deze flora onderscheidt zich van moderne poolflora's in het feit dat toen de bomen groter waren dan tegenwoordig. Doordat er veel kleinere stroompjes door het gebied liepen is er een duidelijke voorkeur voor de fossilisatie van kleinere dieren. Dit betekent niet dat er geen grotere dieren geleefd hebben maar alleen dat hun overblijfselen bijna nooit fossiliseerden. Soms zijn kleinere delen van grote dinosaurussen gevonden zoals van Ankylosaurussen en theropoden. Er valt niet veel meer over te zeggen dan dat ze er zeker zijn geweest. De reden dat grote dieren bijna niet fossiliseerden is dat de kleine stroompjes niet genoeg kracht hadden om de beenderen te transporteren en verzamelen naar plaatsen waar zij bedekt konden worden met slib e.d. Het feit dat er geen fossiele salamanders en slangen worden gevonden kan erop duiden dat de gevonden dinosaurussen warmbloedig zijn geweest. Hoewel de meeste Hypsilophodonten alleen bekend zijn van dijbenen en tanden wijst hun grote verscheidenheid en aantal erop dat deze dieren uitermate geschikt waren voor een poolklimaat. Hun grote ogen in combinatie met vergrote optische hersenknobbels maakte het hen mogelijk in het duister te zien, en actief te blijven tijdens de winterse poolnachten. De beenderen die niet stopten met groeien gedurende de wintermaanden (geen LAG's) duiden erop dat zij ook tijdens deze moeilijke tijden genoeg voedsel vonden. Andere dinosaurussen zoals Timimus zullen waarschijnlijk een winterslaap hebben gehouden, de beenderen met LAG's (lines of arrested growth) wijzen hierop. Vergeleken met andere gewervelde fauna's van dezelfde tijd is de vroege Krijtperiode van zuidoost Australië een mix van oude en nieuwe vormen. Uit de Jura stammen de Allosauridae en een Labyrinthodont zowel als een vis (Prilicthys) die meer uit het Trias stamt. De meer geavanceerde vormen zijn bv. de protoceratops Leptoceratops en een mogelijke Oviraptorosauridae. De Hypsilophodonten zijn typisch voor vroege Krijt. Het is vreemd dat de dinosaurussen van Australië meer lijken op de vormen die in Azië worden gevonden dan op het dichtbij gelegen Zuid-Amerika. Men denkt dat dit kan zijn gebeurd doordat stukken land van Australië zijn afgescheurd die met een eigen snelheid en tijd zijn afgedreven en later met Azië zijn samengesmolten.
Dinosaurussen met een * zijn gevonden in Victoria