Anatomie


A-Z index
Het gehele skelet
Saurischia heup en Ornithischia heup
Schedel van een vleeseter
Schedel van een planteneter
Arm van Oviraptor
Been van Tyrannosaurus
Voet van Deinonychus
Rugwervel
Nekwervel
Nekwervel vooraanzicht


Skelet van een Allosaurus. © J. Arts
Begin van pagina

Links een Saurischia heup, rechts een Ornithischia heup.


© J. Arts
Begin van pagina


Een schedel van een Dromaeosaurus. © J. Arts
Begin van pagina


Een schedel van Edmontosaurus. © J. Arts
Begin van pagina


Linkerarm van Oviraptor. © J. Arts
Begin van pagina


De eerste teen oftewel hallux licht achter de metartarsela en is in deze tekening niet te zien.
Rechter been van Tyrannosaurus. © J. Arts
Begin van pagina


Voet van Deinonychus de verschrikkelijke klauw. © J. Arts
Begin van pagina


Rugwervel van Ornithomimus. © J. Arts
Begin van pagina


Nekwervel van Diplodocus, links is voor. © J. Arts
Begin van pagina


Vooraanzicht van een nekwervel van een Hadrosaurus. De prezygapohysis wijst hier naar de zijkant en niet naar voren. © J. Arts
Begin van pagina

A-Z index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A
Acetabulum (mv acetabula)
Opening in de heup waar de kop van het dijbeen in past.
Acromion
Een benig uitgroeisel van het buiteneind van het schouderblad.
Alula (mv alulae)
Dat gedeelte van een vleugel, dat correspondeert met de duim bij mensen.
Antorbital
Voor de ogen
Antorbital fenestra
Opening in de schedel, voor de oogopening.
Articulate
Om een scharnier te vormen.
Astragalus
De voetbeenderen die samen met het scheenbeen en hiel het enkelgewricht vormen.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

B
Basiscranium
De basis van een schedel.
Boss
Een verhoogde rand of afgerond lichaamsdeel zoals boven de ogen.
Braincase
Het gedeelte van de schedel dat de hersenen omsluit en beschermd.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

C
Calcaneum
Bot aan de achterzijde van de voet (Hiel).
Carpal
1) In verband staand met de pols.
2) De beenderen die de pols vormen.
Caudal
In verband staand met de staart.
Centrum (mv centra)
De romp van een wervel, dus zonder de werveluitsteeksels.
Cervical
In verband staand met de nek of dit gebied.
Clavicle
Het bot dat het borstbeen met het schouderblad verbind (Sleutelbeen).
Condyle
Een afgerond uitgroeisel aan het eind van een bot.
Coracoid
Een bot dat van het schouderblad tot aan het borstbeen loopt bij reptielen. Vaak met het schouderblad vergroeid. Bij zoogdieren is dit niet meer dan een klein uitgroeisel op het schouderblad.
Coronoid
Een membraan in het bovengedeelte van de onderkaak, dichter bij de achtekant van de kaak, zonder tanden.
Cranium
De schedel zonder onderkaak.
Crus
Onderbeen, het been vanaf de knie tot de voet.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

D
Dactyl
Een vinger of teen.
Dentary
Gedeelte van de onderkaak, meestal met tanden.
Diaphysis
De schacht van een lang bot, het gedeelte tussen het begin- en eindstuk. (zie ook; epiphysis).
Digit
Een vinger of teen.
Distal
1) ver weg van het centrum; buitenste.
2) uit elkaar.
Dorsal
Rug of bovenkant.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

E
Epiphysis
Het eindstuk van een lang bot. (zie ook; diaphysis).
Epipodium
Achterzijde van de voet, of de beenderen in dit gedeelte.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

F
Femur (mv femura)
Het lange bot in het bovenbeen, in verbinding staat met de heup. (Dijbeen).
Fenestra (mv fenestrae)
Een vrij grote opening in een bot, zoals in de schedel.
Fibula
Een bot van het onderbeen (kuitbeen), aan de buitenkant gelegen. Komt aan de bovenkant samen met tibia (scheenbeen) en femur (dijbeen). Aan de onderkant komt hij met het scheenbeen (tibia) uit op de talus (hiel).
Foramen
Een smalle opening, gat of porie in beenderen. Kleiner dan een fenestra (zie boven).
Fossa (mv fossae)
Een gleuf, inkeping of kanaal in beenderen.
Frill
In bepaalde dinosaurussen (Ceratopsidae), een opvallende meestal grote beenplaat vanaf de schedel. Wordt gevormd door de parietal en squamosal beenderen aan de achterzijde van de schedel.
Fusiform
Spit toelopend aan het einde.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

G
Gastralia (mv gastralium)
In bepaalde dinosaurussen in de buikwand gelegen beenderen, ook wel buikribben genaamd.
Girdle
Een gekromd of circulair gedeelte, dat vooral een andere gedeelte omcirkelt. Zoals; pelvic girdle (heupgordel) of pectoral girdle (schoudergordel).
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

H
Hallux Eerste teen van de voet (grote teen bij mensen).
Humerus
Het bot van de bovenarm of voorpoten.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

I
Ilium
Het bladvormig bot van de heupgordel (zie tekening boven).
Ischium
Het achterste bot van de heupgordel (zitbeen).
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

J
Jugal
Het jukbeen, of dit gebied van de schedel.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

L
Lacrimal
Een van de 2 beenderen in de wand van de oogkas.
Lacuna (mv lacunae)
Inwendige gaten in beenderen.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

M
Mandible
1) De onderkaak bij gewervelde dieren.
2) De onderste snavel bij vogels.
Manus
De hand of voet van de voorpoot.
Maxilla
De beenderen die de bovenkaak vormen, vaak zitten hier de boventanden in.
Metacarpal
1) Betrekking hebbend op de hand (metacarpus)
2) Een van de beenderen van de metacarpus, meestal is er een metacarpal voor elke vinger.
Metacarpus
De hand, het gedeelte tussen de pols en de vingers.
Metatarsal
1) Betrekking hebbend op de metatarsus (voet).
2) Een van de beenderen van de metatarsus, meestal is er een metatarsus voor elke teen.
Metatarsus
De voet, het gedeelte van de hiel tot de tenen.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

N
Nares (mv naris)
Openingen van de neusholtes.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

O
Occipital bones
De beenderen die aan de achterzijde van de schedel, de onderkant van de schedel vormen.
Occiput
De onderste achterzijde van de schedel.
Olecranon
Een uitgroeisel aan de proximal eind van de ulna (ellepijp).
Orbit
Een benig gat in de schedel waar de oogbal in past.
Ossicle
Een van de kleine botjes in het oor.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

P
Palatine
1) betrekking hebbend op het dak van de mondholte.
2) Ieder van de 2 beenderen die de harde 'palate' vormen, binnen in de mondholte.
Parietal
1) Betrekking hebbend op de buitenste laag van een orgaan of kanaal(holte).
2) Ieder van een paar beenderen, soms tot een bot aaneengegroeid, die de zijkant en het dak van een schedel vormen.
3) Betrekking hebbend op deze beenderen of op de schedel in het algemeen.
Patella
Het platte, driehoekige bot dat de knie bedekt (knieschijf).
Pectoral
Betrekking hebbend op de schouder of borst.
Pectoral girdle
De beenderen van de schouder.
Pelvic girdle
De beenderen van de heup.
Pes (mv pedes)
De voet.
Phalanges (ev phalanx)
De beenderen van de vingers of van de tenen.
Predentary
1) Betrekking hebbend op de voorkant van de onderkaak.
2) Een bot van de onderkaak, karakteristiek voor ornithischia (zie schedel van een planteneter).
Process
Een uitgroeisel van een bot.
Propodium
Voorste gedeelte van de voet.
Proximal
Naar het centrum van het aangehechte einde; binnenkant, dichter bij.
Pubis
Het bot van de heup dat aan de voorkant zit en naar beneden wijst.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

R
Radius
Het kleinere bot van de arm of voorpoot (spaakbeen).
Ramus
Elk van de twee kanten van de onderkaak.
Rostral
1) Betreffend of beschrijving van de rostrum (bek of snuit).
2) Het bot aan de tip van de snuit.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

S
Sacral
1) Betreffend of beschrijving van het sacrum.
2) Een van de beenderen van het sacrum.
Sacrum
De groep van samengegroeide wervels, die het aanhechtingspunt vormen voor de heupen aan de ruggenwervel.
Scapula (mv scapulae)
Het schouderblad.
Sphenoid
Een groot, wigvormig bot in de basis van de schedel.
Squamosal
Een bot aan de achterzijde van de schedel, belast met de beweging van de kaak met de schedel.
Sternum
Een lang, plat bot in het centrum van de borst (borstbeen).
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

T
Talus
De hiel.
Tarsus
1) Het gebied waar het been en de voet samenkomen.
2) De beenderen die dit gebied vormen.
Temporal
1) Een bot aan iedere zijde van de schedel, die een gedeelte van de zijkant van de schedel vormen.
2) Dit gebied van de schedel betreffend.
Tibia
Het binnenste, en grotere bot van de achterpoot.
Trochanter
Elk van de twee uigroeingen aan de bovenzijde van het dijbeen. Dit zijn aanhechtingspunten voor de spieren.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

U
Ulna
Het grotere bot van de onderarm (ellepijp).
Ungual
1) nagel, klauw of hoef.
2) Beschrijving van of betreffend de nagel, klauw of hoef.
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

V
Ventral
De onderkant of onderste oppervlakte van een lichaamsdeel van een dier.
Vertebra (mv vertebrae)
Een van de beenderen van de wervelkolom.
Vesicle
Een kleine opening, of luchtholte.
Vestibular
De opening aan het begin van een kanaal (waar aderen of zenuwbanen door lopen).
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
W
X
Y
Z

Begin van pagina