Het klimaat tijdens het Mesozoicum
Tijdens het Mesozoicum was het klimaat veel warmer en vochtiger dan nu. IJskappen bestonden niet en globaal liepen de verschillen niet ver uiteen en bestond er weinig verschil tussen zomer en winter de klimaatgordels waren uitzonderlijk breed wat inhield dat het op de polen bijna net zo warm was als rond de evenaar. Zo kwam de temperatuur in het Vroeg Trias in de poolstreken nooit onder de 10 tot 15 graden Celcius en rond de evenaar was het toen niet veel warmer. Aan het einde van het Trias was het klimaat veranderd, het was warmer en droger daardoor verspreiden droge en dorre gebieden en woestijnen zich over grote delen van Pangaea. In die periode ontwikkelde zich de eerste dinosauriers.
Tijdens het Jura werd het klimaat zachter. Globaal zakten de temperaturen tot onder die van het Late Trias er was tevens sprake van een uitbundiger regenval hetgeen het klimaat een meer tropisch aanzien gaf. De dinosauriers gedijden uitstekend onder deze omstandigheden en hun vormenrijkdom vermenigvuldigde zich. In deze periode ontwikkelden zich de sauropoden de grootste landdieren die ooit geleefd hebben .
Deze gunstige omstandigheden zette zich nog enige tijd voort tijdens het Krijt. In het midden van de Krijt periode (100 mjg) zette zich echter een aanvankelijk geleidelijke doch later snellere afkoeling in. Tijdens deze periode nam de vormenrijkdom toe met aan het einde van het Krijt in het Campanian een geweldige piek in de diversiteit.
Het uitsterven van de dinosauriers aan het einde van de Krijt periode valt samen met een snelle afkoeling van het klimaat. Indien de fossiele vondsten representatief zouden zijn voor de uitermate grote diversiteit van dinosauriers tijdens het Late Krijt en met name in de specifieke periodes van het Campanian en Maastrichtian zou kunnen worden geconcludeerd dat de klimatologische omstandigheden uitermate ongunstig waren voor de dinosauriers in die periode en niet zoals sommigen beweren uitermate gunstig.
De diversiteits-explosie tijdens het Campanian zou dan kunnen worden verklaard door adpatiepogingen van de dinosauriers aan nieuwe zich snel veranderende klimatologische omstandigheden.
Fred Bervoets