DE PALUXY SPOREN


David A. Thomas en James O. Farlow deden onderzoek naar de sporen van de Paluxy rivier in Texas,VS. Hun bevindingen verschenen in het decembernummer van de Scientific American hieronder volgt een korte samenvatting van dat artikel.

Amerikaanse paleontologen op zoek naar fossielen van dinosauriers deden in de jaren voor de Tweede wereldoorlog een belangrijke ontdekking. Tijdens hun werkzaamheden in de rivierbanken van de Paluxy Rivier ontdekten zij een serie voetsporen van dinosauriers die daar honderd miljoen jaar geleden waren achtergelaten.

Het betrof de sporen van een sauropode en een theropode die over enige afstand gelijk opgaan. Voetafdrukken zijn van grote waarde voor de paleontologie, gefossiliseerde voetafdrukken geven namelijk belangrijke informatie aangaande het loopgedrag van dinosauriers. Zij worden gebruikt om vast te stellen hoe snel dinosauriers liepen en of zij in kudde’s leefden.

Een studie van geregistreerde aanvallen door verschillende Afrikaanse roofdieren bewees dat slechts in een paar gevallen de jager niet in het zelfde loopritme kwam als dat van de prooi. Bij sommige van deze gevallen betrof het een aanval vanuit een hinderlaag, in zulke gevallen is de behoefte aan verrassing belangrijker dan een zorgvuldige aanval. Ook wanneer de prooi vrij klein was ten opzichte van de jager was er geen sprake van gelijke loopritme’s in zo’n geval is dat ook niet noodzakelijk.

Moderne jagers verschillen veel ten opzichte van de twee- en vierbenige dinosauriers, al de moderne roofdieren waren in galop tijdens de jacht terwijl de tweebenige dinosaurier vermoedelijk versneld liep terwijl zijn vierbenige prooi zich rustig voortbewoog.

De sporen van de Paluxy rivier geven voldoende aanwijzingen dat in het Vroege Krijt, net zoals heden ten dage de aanvaller de voordelen van het gelijkbrengen van het loopritme met zijn prooi moet hebben ingezien. Niet alleen lopen de twee sporen parallel, maar zij zwalkten ook enigzins in de zelfde richtingen. Dus heeft de subtiele beweging van het ene dier het andere beinvloed.

Dat beide sporen tegelijkertijd gemaakt zijn valt af te lezen aan het feit dat nabij het einde van de opgraving de sporen van zowel de carnivoor als de herbivoor naar links afwijken. Hadden beide dieren die weg gevolgd dan zouden hun voetsporen de aangrenzende serie sporen hebben gekruist, maar dat deden ze niet. Beide dieren moeten naar rechts zijn afgeweken direct nadat ze het bekende spoor dat door paleontoloog Bird was blootgelegd hadden verlaten.

Beide sporen gaan gelijk op en volgen elkaar ook in bochten, een bewijs dat deze twee dieren zonder twijfel op elkaar reageerden. Het lijkt er sterk op dat de carnivoor de herbivoor volgde. De aanvaller benaderde zijn prooi van achteren daar enige passen blijvend om de afstand tot zijn prooi te meten. De carnivoor kon daarna in het zelfde loopritme komen door zijn pasafstand aan te passen, net zoals dat bij moderne roofdieren gebeurt.

Het bewijs voor dit gedrag is terug te vinden in de lengteweg van de sporen waarbij de sporen van beide dinosauriers een verbazingwekkende symetrie vertonen. De carnivoor plaatste ongeveer twaalf passen zijn rechtervoet in of nabij de afdruk van de linkerachtervoet van de herbivoor. Dit patroon zou je kunnen verwachten indien de carnivoor de herbivoor zo dicht als mogelijk volgde zonder er tegen aan te botsen op slechts een paar stappen afstand en enigzins aan de linkerzijde van de prooi.

Het scenario zoals voorgeteld door Bird waarbij de carnivoor in het midden van het spoor zijn prooi daadwerkelijk aanviel is meer speculatief, maar er bestaat een goede reden om deze speculatie te onderschrijven. Deze hypothese zou de slimme gelijkheid van de afstand tussen de voetafdrukken en de missende linkervoetafdruk van de carnivoor kunnen verklaren.

Die missende afdruk zou kunnen wijzen op een door de carnivoor gemaakt sprongetje. Bird’s originele beschrijving gaf aan dat de rechter achtervoet van de herbivoor zich op een bepaald moment schrap zette. Dit punt bevindt zich op de plaats waar zich twee opeenvolgende rechtse carnivore sporen bevinden. Deze plek suggereerd dat de carnivoor inderdaad vlak voor zijn aanval een sprongtje maakte om dichter bij zijn voor hem lopende prooi te komen.

Tenslotte valt aan te nemen dat het dier dat worstelde om te ontkomen zou wankelen op het moment dat het werd geraakt. We weten niet met zekerheid dat er inderdaad een dergelijk treffen plaatsvond, hoeveel carnivoren er meededen aan de jacht en waarom juist deze herbivoor uit de kudde werd gekozen als prooi. Te veel van deze gebeurtenis ligt diep onder de grond begraven.

Maar naar het nu schijnt is het zo klaar als een klontje dat ongeveer honderd miljoen jaar geleden op een modderig landschap in wat nu Texas is tenminste een snelle carnivoor mogelijk een veel grotere herbivoor aanviel.