17051999
Door Steve Brusatte

Ieder beroep kent wel iemand met een opmerkelijke (eigenzinnig) karakter. U kent waarschijnlijk wel een collega die u als zodanig aanmerkt. In de paleontologie is daar Bob Bakker. Robert T. Bakker bezit in die kring met afstand het meest bekende (eigenzinnige) karakter
U kent Bakker waarschijnlijk als de man die de hypothese deponeerde dat dinosaurussen mogelijk warmbloedig geweest zijn, of als de wetenschapper die geloofde dat ziekten de oorzaak waren van het uitsterven van de verschrikkelijke hagedissen of als de auteur van het boek 'Dinosaur Heresies'. Maar de carrière van Dr. Robert Bakker houdt veel meer in dan dat.
Op jonge leeftijd liep hij het "dinovirus" al op. Als vierde jaars student las hij de Time Magazine van 7 december 1953 met daarin het volgens Bakker beroemdste artikel over dinosaurussen dat ooit in een niet wetenschappelijk blad is verschenen. Het lezen van dit artikel had een grote invloed op zijn verdere leven. Hij nam zijn liefde voor dinosaurussen mee naar de Yale universiteit, waar hij studeerde onder de beroemde paleontoloog John Ostrom. Later studeerde Bakker af aan de Harvard Universiteit.
Als student hield Bakker er vele deelbanen op na als wetenschappelijk illustrator terwijl hij aan de Yale universiteit uitleg gaf aan kinderen die het aan de universiteit verbonden museum bezochten. Als doctoraal student gaf hij leiding aan de anatomie vergelijkende laboratoria van Harvard. Daarna kreeg hij zijn eerste echte baan aan de Johns Hopkins Universiteit van Baltimore, Maryland waar hij les gaf aan zich oriënterende studenten voordat hij deze universiteit in 1982 verliet.
Na zijn afscheid van de JHU ging hij lesgeven aan de universiteit van Chicago en had hij banen bij verschillende museums in Colorado en Wyoming, waaronder het Tate museum waaraan hij nu is verbonden als adjunct curator. Bakker is zo betrokken bij de museums dat een van zijn doelstellingen nu is om een webring te maken van de acht kleinere museums in Wyoming.
Bakker is vooral bekend vanwege zijn theoretische werk, maar heeft ook deel genomen aan veel veldwerk. Sinds de zomer van 1974 is hij zomer na zomer teruggekeerd naar Como Bluff in een poging samenhang te brengen in de kennis aangaande de dinosaurussen.
Bakker wijst erop dat wanneer je naar een schilderij kijkt de het leven in het Midden Jura weergeeft je diverse groepen dinosaurussen samenlevend ziet afgebeeld. Van Diplodocus tot Apatosaurus en van Stegosaurus tot Camarasaurus ze zijn allen aanwezig in een omgeving. Al meer dan twintig jaar slooft Bakker zich uit in de hete onvruchtbare dagzomen van het Amerikaanse westen, niet om nieuwe specimen te verzamelen maar voor informatie naar iedere mogelijke habitat.
Bakker's veldwerk in Colorado heeft veel nieuwe feiten aan het licht gebracht, zo lokaliseerde hij dinosaurussen die leefden in een waterrijke omgeving, en andere die alleen in bomen geleefd zouden kunnen hebben. Hij kan je ook vertellen dat Stegosaurus normaal alleen voorkwam op stevige droge bodems terwijl Apatosaurus en Camarasaurus overal voorkwamen.
Hij is ook geintresseerd in de mysterieuze Jura-Krijt laag. Bakker wijst op het feit dat de laag tussen deze twee wordt gekenmerkt door een lange periode van uitsterven waarbij veel van de relatief veel voorkomende soorten uitstierven en kleinere minder vaak voorkomende soorten zich diversiveerden. Om hypotheses te onderzoeken reisde Bakker naar Zuid Afrika om de Late Permian en Trias uitsterving te bestuderen, hij kwam tot de conclusie dat deze uitsterving het zelfde patroon te zien gaven. Hij wijst er ook op dat een zelfde scenario zich voltrok in de K-T uitsterving, toen de kleinere zoogdieren de evolutionaire kroon overnamen van de dinosaurussen.
Een van Bakkers meest opmerkelijke ontdekkingen is die van Epanterias. In 1990 ontdekten Bakker en zijn team ten noorden van de stad Denver in Colorado enkele nek- en staartbeenderen, kaakdelen en tanden. Hij ontdekte al snel dat de dinosaurus aan wie deze beenderen ooit toebehoorden aan verbazingwekkend dier was geweest. Hij beschreef het als het laatste lid van de allosauriden in Noord Amerika met een schedel die leek op die van Allosaurus, terwijl de benen dikker en langer waren dan die van Allosaurus maar lager dan die van Tyrannosaurus rex en met kleinere tanden.
Dit zeldzame dier zo legt hij uit, werd alleen gevonden in het allerlaatste deel van het Jura. Bakker gelooft dat dit dier een van Edward Cope's theorieën bewijst. Deze theorie houdt in dat dieren steeds groter werden totdat ze te groot werden en vervolgens uitstierven. Zoals Bakker zegt is dit niet alleen het laatste lid van de allosauriden maar tevens het grootste.
Bakker heeft ook veel veldwerk gedaan in andere staten van de VS waaronder Montana, Utah en Oklahoma en in andere landen zoals Mongolië, Zimbabwe en Canada en was actief bij talloos op diverse plaatsen gedaan onderzoek. Hij heeft ook de enige complete Apatosaurus schedel gevonden en de eerste en vroegste raptor in het vindgebied van Camarasaurus.
Hoewel Bakker's veldwerk indrukwekkend genoemd mag worden is hij internationaal bekend van zijn controversiële theorieën die continue de aandacht richten op paleontologie en wetenschap in het algemeen. De hypothese die in een adem wordt genoemd met Bakker is zijn theorie van warmbloedige dinosaurussen.
Hij legt uit dat in 1836 Edward Hitchkock afdrukken van dinosauruspoten misindentificeerde als die van haviken. Zoals Bakker zegt, toonde deze simpele vergissing aan dat het loopgedrag van dinosaurussen een hoog metabolisme vereiste zoals dat van vogels daarbij beweerde Richard Owen in 1841 dat dinosaurussen bijna warmbloedig waren en dat hun gedrag dat van de zoogdieren benaderde. Gebruikmakend van deze twee historische conclusies publiceerde Bakker in 1968 zijn eerste wetenschappelijk werk over endothermie bij dinosaurussen.
Dit werk concentreerde zich op de historie van zoogdieren en reptielen. Bakker zegt dat als je de historie volgt van zoogdieren en dinosaurussen je kunt zien dat de Permian en Trias voorkomende zoogdierachtige reptielen erg veel leken op echte zoogdieren in het gegeven dat zoals hij zegt ze warmbloedig waren. Toen de eerste zoogdieren verschenen waren zij klein. Het is volgens Bakker zeer vreemd dat een groep zo geavanceerde creaturen van groot naar klein zouden evolueren als de dinosaurussen minder geavanceerd zouden zijn geweest. Samengevat zegt Bakker dat de dinosaurussen slechts indien zij warmbloedig zouden zijn geweest zij deze zoogdierachtige reptielen zouden hebben kunnen vervangen.
Terwijl warmbloedigheid bij dinosaurussen bijna onmogelijk is te bewijzen kijkt Bakker naar de beenderen en longen van dinosaurussen. Volgens Bakker bezaten dinosaurussen holle beenderen waarin luchtkamers zaten die naar de longen leiden, zoals bij moderne vogels het geval is. Hij betrekt ook conclusies van het werk van zijn collega Armand de Ricqles, wiens carrière is gericht op het onderzoek naar de groeiratio van de beenderen van dinosaurussen. Velen suggereren dat door het bestuderen van groeiratio's en bloedkanalen in de beenderen simpel aantoonbaar is of een dinosaurus al dan niet warmbloedig was, maar zoals de Ricqules en John Horner hebben geëxpliciteerd is het in het geheel niet zo simpel. Om die reden zal het in de toekomst zeer lastig zijn de theorie van Bakker in de te bewijzen.
In de late jaren 70 en beginjaren 80 ontdekten Horner en Bob Makela talloze Maiasaura eieren en nesten in Montana. Deze vondsten vormden het eerste concrete bewijs dat sommige dinosaurussen voor hun jongen zorgden. Sinds de ontdekkingen van Horner en Makela hebben sommige geleerden er op gewezen dat carnivore dinosaurussen mogelijk geen zorg droegen voor hun kroost, maar Bakker denkt daar toch iets anders over. Met de hulp van een andere monumentale vondst van Bakker heeft deze een andere interessante hypothese ontwikkelt.
In Wyoming ontdekte Bakker het eerste bewijs van nestgewoonte bij Allosaurus. Volgens hem was op diverse vindplaatsen duidelijk bewijs gevonden van het feit dat Allosaurus prooi naar hun jongen brachten om hen te voeden. Hij zegt ook dat er diverse plaatsen zijn waar je gebroken tanden van baby's en volwassen dieren kunt vinden, iets wat waarschijnlijk is veroorzaakt door het knagen aan iets groots. Een voorbeeld is de ontdekking van een baby Allosaurustand in een Apatosaurus been. Een ander voorbeeld is de ontdekking van tanden van verschillend formaat en dus van zeer jonge Allosaurussen tot volwassenen in een gebied. Deze ontdekkingen leidde tot zijn theorie dat jonge Allosaurussen werden gevoed bij het nest totdat zij volledig waren volgroeid, een zelfde gedrag dat te zien is bij sommige adelaren en haviken.
Terwijl deze twee theorieën controversieel zijn is de meest spraakmakende hypothese van Bakker die van het uitsterven van de dinosaurussen geweest. Volgens Bakker's hypothese zijn de dinosaurussen niet uitgestorven door een overvloed aan vulkanisme of een asteroïde, maar door ziekten. Volgens Bakker zou een komeet af asteroïde al het leven hebben verwoest. In plaats daarvan ligt het antwoord in migratie. Wanner grote dieren zich verspreiden en mixen zegt hij, komt uitsterving voor. Het feit dat is aangetoond dat Indiase an Afrikaanse olifanten die elkaar ziek maken ondersteunen zijn geloof. "Wanneer een nieuw dier of plant is geïntroduceerd in een nieuwe omgeving gebeuren er erge dingen," verklaarde hij.
Bakker gebruikt ook de mogelijke vorming van landbruggen en de daarmee gepaard gaande verspreiding van dieren om zijn hypothese te onderbouwen. "Sommige slangen verspreiden zich niet snel daarom sterven ze niet uit," zei hij. "Landbruggen waren overal aanwezig, gedurende uitsterving waren vele soorten zich aan het verspreiden en kwamen er veel ziektes voor. Het grootste gevaar voor autochtone dieren zijn allochtone dieren."
Ondanks zijn faam, is Bakker momenteel betrokken in vele projecten. Als eerste en belangrijkste is daar zijn werk aan de geluidsreconstructie in Apatosaurus. Hij denkt dat de kop van Apatosaurus vibreerde om geluid voort te brengen. Verschillende botten die stevig waren bevestigd in andere dinosaurus soorten zitten losjes vast in Apatosaurus, zegt hij. "Wanneer Apatosaurus nieste zou zijn hele oogkas hebben gerateld" verklaarde hij. Hij denkt dat zoiets voorkwam bij vele herbivore dinosaurussen.
Bakker onderwijst al tien jaar achtereen een zogenaamde veldschool. Voor meer informatie over deze veldscholen kun je contact opnemen met 1-800-DIG-DINO. Natuurlijk keert hij ook weer terug naar Como Bluff voor verdere Jura studies.
De paleontologische carrière van Robert T. Bakker gaat gepaard met opwindende vondsten en controversiële theorieën. Ondanks het gegeven dat hij veel tegenstand ondervind voor sommige van zijn ideeën, kunnen we stellen dat zijn theorieën hebben geleid tot een nieuw inzicht, van slimme, actieve, zorgdragende en hoogst interessante dinosaurussen.
** Dit portret is opgedragen aan Dr. J. John Sepkoski. Jack was waarlijk een der grootsten in de paleontologie, met zijn theorie dat massa uitsterving iedere 26 miljoen jaar voorkomt. Jammer genoeg is hij kortgeleden overleden aan de gevolgen van een hartaanval. Jack mocht de leeftijd bereiken van 50 jaar. Hij zal zeer gemist worden.**
**Steve Brusatte, uit Ottawa, Illinois, USA, heeft onderzoek gedaan naar beroemde paleontologen in de hoop dat hij de eerste teenager kan worden die over paleontologen een boek schrijft. Het boek richt zich voornamelijk op de contributies aan de moderne paleontologie. (inclusief amateurs, verzamelaars en kunstenaars). Een publicatie aanbod kan worden gezonden naar: Steve' emailadres brusatte@theramp.net of bezoek zijn site op url:
http://www.geocities.com/CapeCanaveral/Galaxy/8152