
Enkele jaren geleden stond de dinowereld op zijn kop door het nieuws van een babydinosaurus dat was gevonden in Italië. Deze dinosaurus, later Scipionyx gedoopt in een document geschreven door twee Italiaanse geleerden dat de wereld op zijn grondvesten deed schudden, liet goed bewaarde afdrukken zien van interne organen, iets wat zeer zelden fossiliseert. Ook nu nog zorgen deze raadselachtige afdrukken van interne organen voor heftige debatten. Veel van deze ophef heeft te maken met de intrigerende hypothese die door Dr. Cristiano dal Sasso is voorgesteld, de hoofdauteur die Scipionyx in 1998 beschreef.
Cristiano dal Sasso begon zich te interesseren in fossielen toen hij een klein kind was, toen hij zich verwonderde over de schoonheid van wat hij zelf noemde, 'de getuigen van de historie van de aarde'. Maar niet alleen paleontologie, ook alle andere natuurwetenschappen trokken zijn aandacht. Toen hij ging studeren aan de Universiteit van Milaan was zijn eerste keus natuurwetenschappen, dat voor hem een perfecte middenweg was tussen biologische en geologische studies. Naar verloop van tijd echter nam zijn interesse in fossielen de overhand en haalde hij zijn graad in een discipline dat hem vormde.
Met zijn behaalde graad kreeg dal Sasso een technische functie in het paleontologisch laboratorium van het natuurhistorisch museum van Milaan waar hij zich verder ontwikkelde in fossiele vertebraten van Italië. Het enige probleem was echter dat toen hij afstudeerde nog geen enkele dinosaurus was gevonden in Italië. Maar zoals later zou blijken zou Dal Sasso een vooraanstaande rol spelen bij het beschrijven van de eerste van misschien wel vele dinosaurussen uit de laars van Italië.
Er zijn nu drie dinosaurussen bekend uit Italië, die allemaal vrij recent zijn beschreven of gevonden. Omdat er ten tijde van zijn afstuderen geen dinosauriërs waren gevonden begon hij met het bestuderen van fossielen van mariene reptielen die wat algemener zijn in de Alpenregio van Italië. "Pas later ging ik door met dinosauriërs, mijn eerste liefde, maar onmogelijk te bereiken in mijn land, tot de eerste Italiaanse dinosaurus werd gevonden" zei hij.
In zijn beginjaren toen hij de nu zo beroemde dinosaurus nog niet eens had gezien beschreef Dal Sasso twee nieuwe genera mariene reptielen; Besanosaurus leptorhynchus, een zes meter lange ichthyosauriër uit het Besano-Monte San Giorgio gebied en Aphanizocnemus libanensis, een varaanachtige dat het eerste gevonden reptiel vertegenwoordigd uit het Cenomanian van Libanon. Hoewel deze vondsten interessant bleken te zijn verlangde Dal Sasso ernaar om dinosaurussen te bestuderen. In de vroege jaren negentig kreeg hij een kans die zijn leven zou veranderen.
In 1981 vond amateur-paleontoloog en fossielenverzamelaar Giovanni Todesco in het Matese gebergte in de provincie Benevento een ongewoon reptiel in de mariene aardlaag uit het vroege Krijt van Pietraroia. Dit gebied was al beroemd door zijn uitstekende overblijfselen van vis, garnalen en krokodillen maar de ontdekking van Todesco was iets wat hij nog nooit had gezien. Maar denkend dat het een vreemd reptiel of vogel was vergat Todesco het fossiel tot hij in 1993 naar Jurassic Park keek en zijn fossiel liet zien aan professioneel paleontoloog Dr. Giorgio Teruzzi, curator van het museum van Milaan. Teruzzi was verbaasd; Todesco's specimen was de eerste bekende Italiaanse dinosaurus.
Nadat hij dit specimen had geïdentificeerd als dinosaurus gaf Teruzzi de kans aan Dal Sasso om het fossiel te bestuderen. In de herfst van 1993 begon Dal Sasso met zijn taak om het dier te onderzoeken, iets wat 5 jaar in beslag zou nemen. Nog voor Dal Sasso de kans had om het dier goed te bestuderen werd her dier, dat later bekend zou worden als Scipionyx, in een kort bericht wereldkundig gemaakt door de auteurs Teruzzi en G. Leonardi. Na de publicatie van dit voorlopig rapport voegde Marco Signore zich bij Dal Sasso, een student van de universiteit van Napels, om het dier verder te onderzoeken.
Rond de tijd dat Signore zich bij het team voegde kreeg Dal Sasso toestemming van de superintendent van Salerno, waar het fossiel zich bevond, om het fossiel te prepareren. Dankzij zijn vaardigheid in het mechanisch prepareren van fossielen in kalksteen lukte het Dal Sasso om in drie jaar tijd een schitterende preparatie van het fossiel te maken, een lange periode voor zo'n klein fossiel. Tijdens het prepareren sloeg het noodlot echter toe, Dal Sasso was betrokken bij een ernstig auto-ongeluk dat hem zijn rechter been kostte en bijna zelfs zijn leven. Tijdens deze beproeving was Dal Sasso onzeker of hij de kans nog wel zou krijgen om het fossiel verder te prepareren en bestuderen nadat hij zou zijn hersteld.
Gelukkig, voor de wetenschap, kreeg Dal Sasso toestemming om het fossiel verder te bestuderen na zijn herstel. Tussen 1994 en 1997 verwijderde Dal Sasso samen met preparateur Sergio Rampinelli nauwgezet alle matrix en vuil van het fossiel, waarna het buitengewone behoud van zachte weefseldelen naar voren kwam. Een jaar nadat de preparatie was beëindigd benoemden Dal Sasso en Signore in een officieële publicatie in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Scipionyx. De publicatie uit 1998 onthulde tot dan toe ongehoorde informatie: de verbazingwekkende anatomie van zachte weefseldelen in een dinosaurus.
De volgende weke delen zijn onder andere gefossiliseerd: de hoornen schacht van de klauwen, spieroverblijfselen van de borst en staartregio, tendons onder de staart, verbindingsweefsel van spierbundels, ringen van de luchtpijp dicht bij de furcula en de gehele darm. En dan zijn er nog de overblijfselen van wat misschien de lever is geweest, die als een roodachtige halo van hematiet te zien is. En om alles nog beter te maken zijn alle weke delen, behoudens de darm en de veronderstelde lever, als 3D weefsels gefossiliseerd en zijn het niet alleen maar afdrukken.
Terwijl de aanwezigheid van de lever nog steeds heftige debatten losmaakt, is alleen de suggestie van een lever alleen al onderwerp van een polemiek, meer nog dan alle andere weke weefseldelen. Fysioloog John Ruben en een groep co-auteurs hebben de veronderstelde lever uitvoerig beschreven, betogend dat de lever het "bewijs" leverde dat Scipionyx een op krokodillen lijkende metabolisme had, en daarom niet warmbloedig zou zijn en niet verwant aan vogels. Deze hypothese was gebaseerd op de interpretatie van Ruben van de longen van Scipionyx die zouden worden aangedreven door een long-zuiger systeem, zoals hij veronderstelde.
Dal Sasso zelf is nog steeds niet zeker of de lever wel is gefossiliseerd, en nog minder van zijn functie. " Ik ben geen fysioloog, maar morfologisch gezien is er volgens mij geen direct bewijs dat de lever van Scipionyx, ondanks dat hij onder een krachtige UV-lamp lag, werd aangedreven door spieren van het middenrif en zo kon dienen als een zuiger" zei hij. Dal Sasso zei echter wel, " Er zijn zo veel synapomorphies die de dinosaurus-vogel link ondersteunen dat elke andere hypothese over vogel-evolutie mij erg onwaarschijnlijk lijkt".
Tegenover Ruben staan verscheidene andere onderzoekers die de korte darm van Scipionyx aanvoeren als bewijs van een hoog metabolisme. Ook met deze bewering is Dal Sasso voorzichtig, zeggend dat, " Een korte darm wil niet automatisch zeggen dat hij een hoge metaboliek had, maar geeft eerder aan dat het een groot absorptievermogen had. Bij levende tetrapoden tenminste, geeft de anatomie van het spijsverteringssysteem een indicatie van het dieet: vlees etende dieren hebben kortere ingewanden dan vegetarische dieren, wat onafhankelijk is van hun warmte huishouding."
Zo, waar staat Dal Sasso nu? Behalve het aanhangen van de dinosaurus-vogel link, gelooft hij dat tijdens de heerschappij van de dinosaurussen enkele dinosaurussen tijd hebben gehad om verschillende typen metabolische strategieën te ontwikkelen zodoende fysiologisch verschillende adaptaties te bereiken, zo divers als hun vorm en grootte. Deze adaptaties lopen, volgens Dal Sasso, van lage metabolische waarden van gigantothermie bij grote dieren tot de hogere metabolische waarden van het op warmbloedigheid lijkende metabolisme bij theropoden, Scipionyx inbegrepen.
Hoewel hij denkt dat Scipionyx warmbloedig is geweest gelooft hij ook dat deze warmbloedigheid waarschijnlijk verschilt van wat wij tegenwoordig endothermie noemen. In een document dat hij samen met Ruben en verscheidene van diens studenten heeft gepubliceerd betoogde Dal Sasso dat theropoden mogelijk een patroon van bewegings fysiologie hebben gebruikt dat verschilt van alle levende groepen tetrapoden. De meeste theropoden hadden in rust een lage metaboliek, zoals koudbloedige dieren. De aanwezigheid echter van een door het middenrif ondersteunde longfunctie, aangedreven door de hiervoor genoemde controversieële lever-zuiger pomp kan bepaalde theropoden in staat hebben gesteld hun longcapaciteit te verhogen indien nodig. Ondanks dat deze hypothese nog steeds controversieël is gelooft Dal Sasso dat het de meest waarschijnlijke conditie voorstelt van Scipionyx en andere theropoden.
Nu Scipionyx is benoemd en summier beschreven, is een uitgebreidere studie van de overblijfselen in volle gang. Verder zijn de geleerden benieuwd te horen waar het specimen uiteindelijk zal worden gehuisvest. Op dit ogenblik is het fossiel ten toon gesteld in Rocca dei rettori, in de plaats Benevento niet ver van de plaats waar het werd gevonden. In de stad Pietraroia is geld beschikbaar, volgens Dal Sasso, van het ministerie van cultuur om een ouden van dagen huis om te bouwen tot fossielenmuseum.
Of dit wordt verwezenlijkt is een kwestie van " politiek " maar in de tussentijd zijn nieuwe opgravingen door het museum van Milaan aan de gang vlak bij de site waar Scipionyx werd gevonden.
Totdat het specimen permanent wordt gehuisvest en uitvoerig zal zijn beschreven zal er worden gespeculeerd over zijn fylogenetische positie. Scipionyx heeft enkele raadselachtige mozaïken van karakteristieken die het niet toelaten hem in een van de coelurosaurische families te plaatsen. Dal Sasso meent echter dat hij ontegenzeggelijk in de maniraptoriformes thuis hoort omdat hij zes ondubbelzinnige karakteristieken van deze familie bezit. Scipionyx verschilt echter ook van andere maniraptoren in het feit dat hij een naar achteren verlengt dentaal been bezit, de samengeperste natuur van het spaakbeen en het halfmaanvormige polsbeentje, het behoud van een dik lacrimaal been, fors prefrontaal been en een uitgesproken acromion (een benig uitgroeisel aan het uiteinde van het schouderblad). Volgens Dal Sasso kunnen deze karakteristieken wijzen op een overgangsfamilie van Compsognathus-Sinosauropteryx en de vroege maniraptoriformes.
Hoewel Scipionyx een groot deel van zijn professionele leven vertegenwoordigt kwam hij onlangs ook in het nieuws door de vondst van een nieuwe theropode uit de vroege Jura dat mogelijk licht kan werpen op de evolutie van tetanureans. De dinosaurus met zijn bijnaam Saltriosauro wacht nog op beschrijving en publicatie.
Deze vreemde theropode komt uit aardlagen van het Sinemurian (201.9 mjg, Jura), dicht in de buurt van het plaatsje Saltrio, ten noorden van Milaan en dicht tegen de Zwitserse grens aan. Het in 1996 ontdekte specimen bestaat uit minder dan 100 beenderen, ongeveer 10% van het complete skelet. Afgaande op de fragmenten, denkt Dal Sasso dat het dier zo'n 8 meter lang is geweest en meer dan een ton moet hebben gewogen. Een tand is gevonden van 7 cm lengte.
Dal Sasso denkt dat het een belangrijk specimen is omdat het uit oude steenlagen komt, uit een tijd dat naar men aanneemt alleen primitieve ceratosauriërs voorkwamen. Saltriosaur heeft echter een andere bouw, dat verschilt van de anatomie van de ceratosauriërs en die enkele anatomische karakteristieken bezit van meer ontwikkelde theropoden: De Tetanurae.
" De ontdekking van Saltriosaur is belangrijk voor het begrip van de evolutie van carnivore dinosaurussen omdat het (misschien) de oudste grote tetanurean dinosaurus in de wereld is" zei Dal Sasso.
Paleontoloog en theropoden expert Dr. Thomas Holtz van de universiteit van Maryland is het met hem eens. " Het specimen is nuttig voor de reconstructie van de geschiedenis van dinosaurussen en de relaties tussen groepen ". Dal Sasso voegt hier nog aan toe dat dit specimen helpt de algemeen geaccepteerde notie te ontmaskeren dat Italië in de Jura uit kleine eilandjes zou bestaan.
Hoewel Saltriosaur een zeer belangrijk specimen is, is het nog niet bestudeerd, beschreven of zelfs maar officieel benoemd. Dal Sasso werkt op het ogenblik aan een wetenschappelijk beschrijving die mogelijk in 2002 zal verschijnen.
Tot aan de publicatie van dit document zal Dal Sasso in een opgraving bij het plaatsje Besano werken waar honderden vissen en reptielen uit het midden Jura aan het oppervlak komen. Verder is hij van plan om de studies naar mosasauroiden uit Libanon voort te zetten. Volgens Dal Sasso zal er snel een nieuwe dolichosaurus' taxa worden beschreven.
Het meest indrukwekkende lopende werk van Dal Sasso is misschien wel zijn boek: Dinosauri Italiani, dat in december 2001 werd gepubliceerd. Het is het eerste populair wetenschappelijke boek over Italiaanse dinosaurussen en omvat alle Italiaanse voetafdrukken sites en beschrijvingen van alle drie de Italiaanse dinosaurussen (Scipionyx, Saltriosaur en een hadrosauride die als " Antonio " bekend staat en bij trieste is gevonden en nu wordt bestudeerd). " Dit is hier een zeer vernieuwend boek omdat alle boeken over dinosauriërs in de Italiaanse taal simpelweg vertalingen zijn uit het engels of gaan over dinosaurussen die overal ter wereld worden gevonden. Bovendien is dit, op een onlangs verschenen maar al verouderd boek over de voetafdrukken van Rovereto na, het eerste boek dat uitgebreid alle Italiaanse dinosaurussen behandeld " zei Dal Sasso.
Na publicatie van het boek hoopt Dal Sasso een engelse uitgever te vinden. Gebaseerd op zijn pionierswerk over Italiaanse dinosaurussen en als Dal Sasso net zo goed schrijft als dat hij een neus heeft voor ontdekkingen zal dit zeker een grote hit worden