
Paleontologie is een fascinerende wetenschap. Gedefinieerd als de studie van fossielen, paleontologie bevat alles van de kleinste Foraminifera tot de beangstigende Tyrannosaurus en tot de moderne mens. Paleontologie, is in tegenstelling tot een populair gedachtegoed NIET de studie van dinosauriërs, dat is een veelvoorkomend misverstand onder velen. Paleontologie houdt meer in dan onderzoek naar dinosauriërs.
Wanneer je het woord paleontologie leest gaat je eerste gedachte vaak uit naar dinosauriërs, en er is en goede kans dat je jezelf automatisch focust op de K-T massa-uitsterving. Ja, het uitsterven van de dinosauriërs is een van de oudste, en meest fascinerend paleontologisch dilemma.
Precies hoe gingen de dinosauriërs, de majestueuze beesten de het prehistorische landschap voor meer dan 150 miljoen jaar domineerden, hun ondergang tegemoet. Was het plotseling, mogelijk veroorzaakt door een astroïde? Namen de verschrikkelijke hagedissen geleidelijk in aantal af, als resultaat van een globale afkoeling of een drastische wijziging in hun leefomgeving? Het meest interessante hieraan is dat niemand het zeker weet en dat niemand het waarschijnlijk ooit mat 100 procent zekerheid zal weten.
In 1880 presenteerde Luis Alvarez en zijn zoon Walter een interessante hypothese. Bij het bestuderen van de K-T laag in Italië ontdekten de twee hoge concentraties van iridium, een mineraal dat vaak voorkomt in kometen en andere buitenaardse hemellichamen. Zij gebruikten hun observaties bij hun aankondiging dat zij er van waren overtuigd dat de dinosauriërs uitstierven doordat een astroïde in botsing kwam met de aarde. Sinds deze verassende bekendmaking is de dinokoorts op aarde losgebarsten.
Maar hoe kunnen wij bewijzen dat dit werkelijk is gebeurd? Als is bewezen dat een astroïde de aarde heeft geraakt hoe kunnen we dan bewijzen dat deze gebeurtenis feitelijk de doodsklap betekende voor de dinosauriërs? Beide vragen houden de paleontologen bezig nadat de vader en zijn zoon hun standpunt presenteerden. Nu, de vraag kan zijn opgelost.
Peter Sheehan is de curator geologie van het Milwaukee Public Museum in Milwaukee, Wisconsin, Verenigde Staten van Amerika.
Sinds hij de University of California-Berkeley verliet met zijn Ph.D. heeft Sheehan gewerkt aan het onderzoek naar de vraag hoe de dinosauriërs uitstierven
Voor diegene die bekend zijn met het juni 1989 nummer van de National Geographic (met een Apatosaurus op de voorplaat) zullen de naam van Peter Sheehan waarschijnlijk wel herkennen. Ten tijde van die publicatie was Sheehan volop betrokken bij een van de grootste veldexpedities ooit, een driejarig onderzoek in de Hell Creek Formatie in het westen van de Verenigde Staten van Amerika.
Het doel van de trip was simpel, Sheehan en zijn collega's moesten elk fossiel van de K-T periode die zij konden vinden in kaart brengen binnen de drie lagen van deze Krijt rotsformatie. Nadat alle fossielen in kaart waren gebracht, ging Sheehan ze vergelijken. Indien de soorten zouden zijn verandert, verklaarde Sheehan, moest de oorzaak daarvan worden gezocht in serieuze wijzigingen in hun leefomgeving waardoor zij zich snel dienden aan te passen. Als het bewijs kon worden geleverd dat zo'n ingrijpende wijziging had plaatsgevonden, zij hij, dan zouden de dinosauriërs hoogst waarschijnlijk geleidelijk zijn uitgestorven.
Na de drie jaar van veldwerk, nam Sheehan de bewijzen mee naar zijn laboratorium en vergeleek de fossielen. Na veel onderzoek en tijd concludeerde Sheehan dat de ecologische diversiteit inderdaad constant was gebleven tot aan de K-T grens. Bewijzend dat de dinosauriërs plotseling zijn uitgestorven. (Dino Fest Volume, Rosenberg and Wolberg, 1994).
Dit bewijs echter kon niet iedereen overtuigen. Boze paleontologen waren buitenzinnen omdat dat een geoloog probeerde de massa-uitsterving te reconstrueren. In plaats van een steenexpert zou een expert van historisch leven dienen te proberen het probleem op te lossen verklaarden sommige paleontologen.
Sheehan toog weer aan het werk, proberend de niet gelovigen te overtuigen van zijn gelijk. Hij sloot zich aan bij een groep van de Syracuse University. Deze groep bestudeerde de lagen van het Yucatan schiereiland in Mexico. Het team bestudeerde de rotsformaties op de plaats waar een grote astroïde inderdaad aan het einde van het Krijt insloeg. (In principe accepteren paleontologen dat een astroïde de aarde raakte aan het eind van het Krijt, maar het debat is of deze astroïde de dinosauriërs plotseling deed uitsterven of een reeds uitstervende soort de genadeslag toebracht.
Tijdens de studie van de formatie ontdekte de groep een mineraal genaamd anhydrate, waarin veel sulfaat voorkomt. Dit anhydrate zou volgens de hypothese van de groep moeten zijn gevaporiseerd bij de inslag van de astroïde. Wanneer het mineraal vaporiseerde zou het over de wereld moeten zijn verspreid, en als het peil hoog genoeg was zou het tot een overvloed aan zure regen hebben geleid, wat mede van invloed zou kunnen zijn geweest aan het uitsterven van de dinosauriërs. De groep reconstrueerde de inslag en calculeerde hoeveel anhydrate zou zijn gevaporiseerd. Toen zij het totaal hadden berekend berekenden zij hoe het evenredig over de wereld zou zijn verspreid. De conclusie van de groep was dat er inderdaad genoeg sulfaat in de atmosfeer aanwezig was om hoge concentraties van zure regen te bewerkstelligen.
Ondanks dat waren velen nog steeds niet overtuigd, en Sheehan viel terug op een van zijn oorspronkelijke theorieën, gepubliceerd in the journal Geology in 1986, om zijn standpunt verder te ondersteunen. In het journaal van 1986 presenteerde Sheehan en zijn collega Thor Hansen een simpele theorie. Deze theorie houdt in dat de meerderheid van organismen dewelke uitstierven aan de K-T grens, waren gebonden in voedselketens welke ook de flora inhield. Verder beweerden zij dat de meeste organismen die overleefden waren gebonden in voedselketens waarin dood plantaardig materiaal werd geconsumeerd.
Deze theorie ligt verweven in de astroïde uitsterving theorie. De Alvarezes hypotheseerden dat de impact een grote hoeveelheid stof in de atmosfeer zou hebben geblazen, welk het zonlicht tegenhield voor een periode van ongeveer drie maanden. Dit natuurlijk zou fotosynthese stoppen waardoor het meeste planaardig leven zou zijn vernietigt. Dit zou hebben gezorgd van een ernstige klink in de voedselketen niet alleen bij herbivore dinosauriërs maar ook bij carnivoren die voor hun voedsel afhankelijk waren van de herbivoren.
Het chronische sterven van planten zou zorgdragen voor een overvloed aan dood plantaardig materiaal wat de eters van dit materiaal zou hebben bevoordeeld in hun kansen op overleving. De kleine zoogdieren, alligators, schildpadden en vogels, en dieren die je heden ten dage ziet overleefden omdat zij afhankelijk waren van dood plantaardig materiaal.
Met deze drie hypotheses hebben Sheehan en zijn collega's aangetoond dat een plotseling uitsterven van dinosauriërs hoogst waarschijnlijk was. De theorie van de zure regen en de hypothese van de voedselketen versterkten de uitkomsten van zijn onderzoek.
Hoewel sommige paleontologen het nog steeds niet eens zijn met het werk van Sheehan, is het moeilijk het te negeren. Terwijl het onderwerp van de uitsterving van de dinosauriërs nog steeds tot hevige debatten leidt, heeft Peter Sheehan van het Milwaukee Public Museum een schat aan nieuwe informatie toegevoegd aan de hedendaagse kijk op de dinosauriërs.
*Met speciale dank aan: Christopher R. Brusatte, Curator of Vertebrate Paleontology, Dino Land, Ottawa, IL, USA*
**Steve Brusatte, uit Ottawa, Illinois, USA, heeft onderzoek gedaan naar beroemde paleontologen in de hoop dat hij de eerste teenager kan worden die over paleontologen een boek schrijft. Het boek richt zich voornamelijk op de contributies aan de moderne paleontologie. (inclusief amateurs, verzamelaars en kunstenaars). Een publicatie aanbod kan worden gezonden naar: Steve' emailadres brusatte@theramp.net of bezoek zijn site op url:REFERENCES:
BRUSATTE, S.L. AND C.R. BRUSATTE. 1999. The Plight of the Amateur, Armchair Paleontologist. Fossil News, 4, 16-19
BRUSATTE, S.L. 1999. Peter Sheehan. Dinosaur World. (In Press)
SHEEHAN, P.M., AND D.E. FASTOVSKY. 1992. Major extinctions of land-dwelling Vertebrates at the Cretaceous-Tertiary boundary, eastern Montana. Geology, 20:556:560.
SHEEHAN, P.M. AND D.E. FASTOVSKY, R.G. HOFFMAN, C.B. BERGHAUS, AND D.L. GABRIEL. 1991. Sudden extinction of the dinosaurs: Latest Cretaceous Upper Great Plains, U.S.A. Science, 254:835-839.
SHEEHAN, P.M. AND T.A. HANSEN. 1986. Detritus feeding as a buffer to extinction at the end of the Cretaceous. Geology, 14:868-870.
SHEEHAN, P.M. 1994. The Extinction of Dinosaurs. The Dino Fest Volume. 411:423
SHEEHAN, P.M. AND D.E. FASTOVSKY. 1996. Biotic selectivity during the K/T and Late Ordovician extinction events. Geological Society of America Special Paper. 477:489.
SHEEHAN, P.M.1996. A new look at Ecological Evolutionary Units (EEUs). Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology. 127:21-32.